Vandaag kwam het nieuws uit het Nederlandse Loosdrecht, waar een demonstratie bij een noodopvang volledig uit de hand liep. Er werd met vuurwerk en fakkels gegooid. Er ontstond brand, terwijl binnen asielzoekers en medewerkers aanwezig waren. Dat is geen protest meer. Dat is het moment waarop opgehitste angst geweld wordt.
En precies dan moeten we even tot zinnen komen. Want misschien is het nog niet te laat om te zien hoe we telkens opnieuw in dezelfde richting worden geduwd. Naar beneden. Naar wie zichtbaar is. Naar wie dichtbij komt. Naar wie niets heeft. De vluchteling. De hulpverlener. De medewerker. De vrijwilliger. De gemeente die de gevolgen moet opvangen.
De echte verantwoordelijken staan zelden aan een hek. Die staan niet verkleumd bij een noodopvang. Ze zitten daar waar keuzes worden gemaakt: in regeringen, kabinetten, administraties en politieke partijen die jarenlang een systeem hebben gebouwd waarin de rekening telkens wordt doorgeschoven.
Op mijn vorige tekst kreeg ik veel reacties. Veel mensen waren blij om eens een andere stem te horen. Een stem die hun twijfel verwoordde, hun mening bevestigde, of gewoon hardop zei wat ze zelf al langer dachten. Maar er waren ook boze reacties. En ergens begrijp ik die boosheid wel.
Wanneer er in een gemeente een asielcentrum komt, kunnen inwoners zich overvallen voelen. De wereld verandert sneller dan veel mensen kunnen bijhouden, en plots lijkt ook hun eigen straat niet meer van hen. Ze vrezen overlast, druk op diensten, extra werk voor sociale diensten, problemen in de buurt, het financiële plaatje.
Die reactie is menselijk. Maar ze wordt politiek gebruikt.
Want het asielcentrum komt dichtbij. De oorzaak niet.
Die oorzaak zit in beleid dat opvang organiseert alsof alles tijdelijk en uitzonderlijk is, en mensen vervolgens jarenlang laat vastlopen in procedures, wachtlijsten en tekorten. Mensen die alles verloren hebben, belanden in wachtkamers. Ze mogen niet meteen werken, kunnen niet zomaar wonen en botsen op regels waar bijna niemand nog doorheen raakt.
Men maakt mensen eerst machteloos en noemt hen daarna een last.
De burger ervaart de druk in zijn gemeente. De vluchteling voelt de vernedering. En zo komen mensen tegenover elkaar te staan die elkaar eigenlijk niet zouden moeten bestrijden.
Ondertussen wordt de angst gevoed. Door krantenkoppen die problemen tonen, maar zelden gezichten. Door woorden als “transmigranten”. Door cijfers die mensen tot categorieën maken. Door nieuws dat zich herhaalt tot we beginnen te geloven dat gevaar vooral schuilt in nabijheid.
En dan gebeurt wat altijd dreigt te gebeuren wanneer kwetsbare mensen lang genoeg als probleem worden voorgesteld: de woede zoekt een doelwit.
Maar je kunt iemand het onheil niet verwijten dat hem of haar overkomt. Niet de vluchteling veroorzaakt de chaos, hij is er het resultaat van. Niet de gemeente vroeg om ellende, maar ze krijgt wel de gevolgen op haar bord. En de gewone burger, die het vertrouwen in het systeem kwijt is, richt zijn kwaadheid op de verkeerde mens.
We lijken verschillend — wie vlucht en wie bang is — maar allebei proberen we gewoon ons leven in veiligheid te houden.
Het gaat niet om wie hier aankomt, maar om wie beslist. Niet om wie opvang nodig heeft, maar om wie een opvangcrisis laat ontstaan. Niet om wie afhankelijk wordt gemaakt, maar om wie daar politiek voordeel uit haalt.
Want zolang wij onze woede richten op wie niets meer heeft, blijft wie macht heeft buiten schot.
En net daarom doen verkiezingen ertoe. Omdat wij mee bepalen wie verantwoordelijkheid krijgt. Onze stem is moeizaam verworven. Ze is te kostbaar om ze te geven aan wie onze angst en woede bespeelt en die vervolgens op de slachtoffers richt.