Er was weer eens ophef in het nieuws rond asielzoekers. Mijn vader zei: “Rino, wat is dat toch met die mensen? Elk zijn land. Toch?” Mijn vader was toen al oud en dacht niet meer zo helder na. Hij had ook al lak aan politiek en het nieuws. Zoals zoveel mensen.
Maar wanneer iemand moet vluchten voor verschrikkingen zoals oorlog, krijgen wij meestal maar één kant van het verhaal te horen of te zien: de overvolle bootjes, het tekort aan opvangplaatsen, de buurtprotesten, de overlast. Hoewel de vluchteling niet de oorzaak is, maakt men van hem of haar het gezicht van het probleem. Terwijl zij net de grootste slachtoffers zijn.
Zij betalen de prijs. Ze moeten alles achterlaten: huis en haard, gezin en familie. Hun straat, hun taal, hun gewoontes. Hun vrienden, herinneringen en doden. Hun land. Alles wat iemands leven de moeite waard maakt.
En vaak is er niets meer om naar terug te keren. Geen huis. Geen werk. Geen veiligheid. Niets meer van die oude, vertrouwde wereld die op hen wacht. Misschien zelfs geen familie meer.
Ze moeten hier opnieuw beginnen, met niets. En zelfs dát wordt hun verweten.
Want terwijl wij discussiëren over “ze komen met te veel”, “het gaat allemaal te snel” en “ze zijn te dichtbij”, draaien de fabrieken door. Terwijl woorden als “profiteurs” weergalmen, rollen wapens, munitie, onderdelen en technologie van de band. Ook in Europa. Ook in Nederland en België. Soms rechtstreeks, soms via onderdelen, doorvoer, vergunningen of dual-use-technologie.
Denk aan FN Herstal, dat jarenlang wapens uitvoerde naar Saudi-Arabië terwijl dat land betrokken was bij de oorlog in Jemen. Die uitvoer gebeurde met Waalse vergunningen, waarvan sommige later juridisch werden betwist, geschorst of ingetrokken.
Oorlog ís een industrie. Ook de onze. Een industrie die winst maakt met andermans verschrikkingen.
Terwijl wij sakkeren dat ze Nederlands moeten leren, blijven onze regeringen beleid voeren, handel drijven en bondgenootschappen onderhouden met machten die mensen ginds mee op de vlucht jagen.
Wie alles verloren heeft, wordt bekeken alsof hij de rekening komt brengen. Maar die rekening hebben we zelf mee gemaakt. Hier. Door politieke keuzes. Door handelsbelangen. Door bedrijven die verdienen aan vernietiging. En door overheden die dit mogelijk maken, gedogen of pas veel te laat in vraag stellen.
Het leven is niet gemakkelijk. Er is altijd wel iets: de auto, het huis, iemand die ziek is. We ergeren ons aan files, aan regen, aan het aangekondigde asielcentrum. Aan de ontheemde mensen die hier aankomen en soms op straat moeten leven, wachtend op een procedure die maanden duurt, in een juridisch kluwen zonder zicht op werk, zonder zekerheid, zonder richting. We zien niet dat het asielcentrum niet het probleem is, maar gewoon de plek waar het probleem zichtbaar wordt.
Het gaat er niet om waarom deze mensen naar hier komen.
De vraag is: wie heeft hier zijn zakken gevuld met wat hen ginds heeft weggejaagd?
En waarom moeten zij zich verantwoorden, terwijl wie aan deze oorlogen verdient buiten beeld blijft?
Mijn vader zou zijn schouders hebben opgehaald.
Maar de vraag verdwijnt niet omdat we haar niet stellen.